Je loopt liever niet onder een ladder door. Je klopt af op hout als je iets té positief hebt uitgesproken. Je vermijdt niet de dertiende verdieping, maar vrijdag de dertiende voelt toch anders dan de andere dagen. Waarschijnlijk noem jij jezelf ook niet “bijgelovig”, en toch doe je dit soort dingen. Waarom geloven we in bijgeloof, terwijl we heus wel weten dat een zwarte kat geen ongeluk veroorzaakt?
Wat is bijgeloof eigenlijk?
Voor de psychologie achter bijgeloof leun ik in deze post zwaar op Dat kan geen toeval zijn, het boek van psychologen Frenk van Harreveld, Joop van der Pligt en Bastiaan Rutjens. Zij geven een heldere definitie. Bijgeloof draait om één kernidee: het geloof dat energie, informatie of invloed op een niet-natuurlijke manier tussen dingen kan overspringen. Met bepaalde handelingen, voorwerpen of rituelen kunnen we die invloed oproepen, ombuigen of afweren. Het gaat dus niet alleen om wat je doet, zoals afkloppen of vingers kruisen. Ook voorwerpen en symbolen spelen mee: een klavertjevier, een konijnenpootje, een geluksamulet.
Niet elke gewoonte is meteen bijgeloof. Kies je altijd hetzelfde plekje op de bank omdat dat nu eenmaal het fijnste zitje is? Dan ben je niet bijgelovig. Denk je dat de wedstrijd anders afloopt als je ergens anders zit? Dan wordt je gewoonte bijgeloof. De grens ligt bij die bovennatuurlijke kracht: pas zodra je een handeling die kracht toedicht, spreken psychologen van bijgeloof.
Waarin verschilt het van geloof?
Quest interviewde filosoof Johan Braeckman over het onderscheid tussen religie en bijgeloof. Hij legt uit dat het verschil kleiner is dan je zou denken. Religie is georganiseerd: er zijn geschriften, gebouwen, regels. Bijgeloof kent die structuur niet. Er is geen paus van het klavertjevier, maar het geeft mensen wel hetzelfde gevoel van houvast. Ons brein legt razendsnel verbanden tussen gebeurtenissen die feitelijk niets met elkaar te maken hebben. Een tennisster stuitert drie keer voor de opslag en scoort toevallig een ace. Ze herhaalt dat de volgende keer. Zo ontstaat een bijgelovig ritueel, en zo ontstaan óók religieuze gewoontes. Het verschil zit vooral in status en organisatiegraad, niet per se in de inhoud.
Een kort overzicht: de geschiedenis van bijgeloof
Van Harreveld, Van der Pligt en Rutjens laten in Dat kan geen toeval zijn zien dat bijgeloof al bestaat zolang er geschreven bronnen zijn. Psyned wijst erop dat het waarschijnlijk nog ouder is. Al in de prehistorie werden er offers gebracht en rituelen uitgevoerd om goden gunstig te stemmen, geluk aan te trekken of ongeluk af te wenden. Dit deed men al lang voordat er geschreven wetgeving of georganiseerde religie zoals wij die kennen bestond. Ook in het oude Rome hoorde dat erbij: staatsman Cicero bestempelde het geloof in voorspellingen als superstitio, daar dankt het woord bijgeloof zijn Europese vertalingen aan. De Romeinen gebruikten behalve amuletten voor zichzelf ook toverspreuken om anderen te vervloeken. Zelfs dat bleek niet altijd te werken: wie zo’n vervloeking uitsprak, kwam er vaak achter dat degene die hij wilde treffen zelf ook een beschermend amulet droeg.
Het christendom werd de dominante religie van Europa. Religie en bijgeloof kregen daardoor steeds scherper tegenovergestelde etiketten. In de late Middeleeuwen werd bijgeloof zelfs strafbaar: het doen van voorspellingen gold als een vorm van ketterij, en een beschuldiging van ketterij kon dodelijk aflopen. Halverwege de veertiende eeuw vaagde de builenpest een derde van de Europese bevolking weg. De geneeskunde stond machteloos, dus zochten veel mensen hun heil bij magie en hekserij. Vanaf 1450 vonden in Europa grootschalige heksenvervolgingen plaats. Tussen 1450 en 1700 executeerde men naar schatting 40.000 tot 100.000 mensen als heks, onder wie de negentien slachtoffers van de bekende processen in Salem (1692-1693).
Bijgeloof veranderde, maar verdween niet
In diezelfde periode veranderde bijgeloof mee met wie er de macht had. Historica Marijke Gijswijt-Hofstra beschrijft in het standaardwerk Nederland betoverd hoe dat ging tijdens de Nederlandse Reformatie. Katholieken hadden een heel arsenaal aan tegenmagie tegen hekserij: wijwater, het kruisteken, relikwieën, exorcisme. Protestanten schaften die tegenmagie juist af. Zij vonden dat je het kwaad alleen met gebed en vertrouwen in God kon bestrijden, en noemden de katholieke rituelen op hun beurt bijgelovig. Toch bleven protestanten net zo bang voor de duivel als hun katholieke buren, alleen zonder vangnet. Bijgeloof verdween dus niet met de Reformatie. Het verschoof van vorm.
Tijdens de Verlichting nam bijgeloof af, in elk geval bij de intellectuele elite. Denkers als Spinoza betoogden dat de wereld volgens vaste natuurwetten werkt en dat wonderen dus overbodig zijn: God zou zijn eigen wetten niet breken. Onder het grote publiek bleef de behoefte aan het bovennatuurlijke intussen springlevend. Vanaf de negentiende eeuw werden seances zelfs weer volop populair. En vandaag de dag komt in delen van Afrika nog altijd actieve vervolging van vermeende heksen voor, doorgaans pas nadat een dokter geen verklaring kon vinden voor een ziekte of sterfgeval.

De psychologie: waarom geloven we in bijgeloof?
Bijgeloof overleefde de Verlichting, de wetenschappelijke revolutie en eeuwen van vooruitgang. Blijkbaar zit er iets fundamenteels in onze psychologie dat het in stand houdt. Dat kan geen toeval zijn wijst een paar terugkerende mechanismen aan die dat verklaren.
We zien liever een verband dan toeval
Mensen zijn nu eenmaal huiverig voor toeval en zoeken daarom voortdurend naar patronen, ook waar die er niet zijn. Psychologen noemen dat een type I-fout: je denkt dat er een verband is, terwijl dat er in werkelijkheid niet is. Het omgekeerde, een type II-fout, is minstens zo riskant: dan denk je dat er niets aan de hand is, terwijl er wél gevaar is.
Volgens biologen is onze neiging tot type I-fouten door natuurlijke selectie ontstaan. Wie tienduizenden jaren geleden bij elk geritsel in de bosjes wegrende, sloeg vaak ten onrechte alarm, maar bleef wel in leven. Wie het verband tussen geritsel en tijger niet zag, kreeg zelden een tweede kans. Bijgeloof is in die zin een soort evolutionair reddingsvlot. Beter een keer te vaak op hout kloppen dan een keer te weinig.
Die neiging heeft ook een chemische kant. Een toename van dopamine zorgt ervoor dat mensen meer patronen zien in willekeurige ruis. Hetzelfde effect treedt op bij drugs als cocaïne en amfetamine, die de dopamineaanmaak juist stimuleren. Bij medicijnen die dopamine afremmen, gebeurt het omgekeerde: mensen zien dan minder patronen. Onderzoekers concluderen zelfs dat bijgeloof onze standaardinstelling is. Alleen door bewust gedachten te onderdrukken, houden we het een beetje in toom.
Denkfouten in de praktijk
Hoe hardnekkig dat idee is, bleek in de Italiaanse loterij. Het getal 53 viel daar twee jaar lang niet. Italianen gingen daar massaal op inzetten, in de overtuiging dat het getal “aan de beurt was”, terwijl een loterij natuurlijk geen geheugen heeft. Er ging 2,4 miljard euro in om, met voor sommige gokkers tragische gevolgen toen het getal maar bleef uitblijven.
Dat verklaart ook waarom we oorzaak en gevolg zo makkelijk door elkaar halen. Het regent, en toevallig ben je net zonder paraplu naar buiten gegaan. Twee gebeurtenissen die tegelijk plaatsvinden voelen al snel aan alsof ze met elkaar te maken hebben, ook als dat feitelijk onzin is.
We willen het snappen
We willen ook het liefst dat gebeurtenissen een duidelijke oorzaak hebben. Bij succes zoeken we een interne verklaring, ons eigen doorzettingsvermogen bijvoorbeeld. Bij tegenslag grijpen we liever naar iets externs: pech, het lot, een hogere macht. Hoe onverwachter, negatiever en belangrijker een gebeurtenis, hoe harder we naar een verklaring zoeken. Vandaar dat er zoveel bijgeloof bestaat rond ziekte en dood.
Voorspelbaarheid alleen is trouwens niet genoeg, we willen het ook begrijpen. Hoor je ‘s nachts een onverklaarbaar geluid in huis, dan slaap je pas weer rustig zodra je weet wát het was: de kat, de cv-ketel, een tak tegen het raam. Simpelweg weten dát er een geluid is, stelt niet gerust. Pas het waarom doet dat.
Diezelfde behoefte zit achter complottheorieën. Ze zijn van alle tijden, maar duiken sterker op zodra de wereld onzekerder aanvoelt. In economisch onzekere tijden bijvoorbeeld, wanneer banen, inkomen of vooruitzichten op losse schroeven staan, grijpen mensen vaker naar een verklaring die de chaos in een overzichtelijk plot giet. Een onbegrijpelijke werkelijkheid met een dader voelt draaglijker dan een werkelijkheid die gewoon toevallig zo is gelopen. Er blijkt dan tenminste iemand de touwtjes in handen te hebben, ook al is die iemand kwaadaardig.
We willen de regie
Van Harreveld, Van der Pligt en Rutjens noemen de behoefte aan controle de diepste laag onder bijgeloof. Ze beschrijven een klassiek Amerikaans onderzoek uit de jaren zeventig, uitgevoerd onder bewoners van een verzorgingstehuis. Sommige bewoners mochten zelf hun kamerplanten verzorgen en zelf een filmavond kiezen. Anderhalf jaar later waren zij gezonder en actiever dan de bewoners bij wie het personeel die keuzes overnam. Er waren zelfs significant minder overlijdens onder hen. Iets kleins als zelf een filmavond kiezen bleek dus letterlijk van levensbelang.
Hoe groot die controlebehoefte is, blijkt ook uit wat luchtiger onderzoek. Deelnemers aan het tv-programma Lingo maakten grotere armbewegingen bij het pakken van de bal naarmate het spannender werd. Bij dobbelspellen gooiden mensen harder en met meer zwaai naarmate de prijs groter was, ook al kan een dobbelsteen zich daar natuurlijk niets van aantrekken. Vroeg je de deelnemers achteraf of ze hadden geprobeerd de uitkomst te beïnvloeden, dan ontkenden ze dat, en sommigen raakten zelfs geïrriteerd door de vraag. Ze waren immers niet bijgelovig.
Onderzoek van de Israëlische psycholoog Giora Keinan liet een vergelijkbaar patroon zien bij het klassieke afkloppen op hout. Proefpersonen die vonden dat ze weinig in controle waren, klopten gemiddeld twee keer af. Bij mensen die zich wél in controle voelden, lag dat gemiddelde rond de halve keer.
Ontbreekt die controle? Dan grijpen we naar bijgeloof als surrogaat. Denk aan de voetbalsupporter die dagelijks vijftig rondjes om het stadion van zijn club rijdt, in de overtuiging dat hij zo bijdraagt aan de resultaten. Verliest de ploeg toch, dan laat hij het ritueel niet los. Hij zoekt de schuld ergens anders. Soms wordt die zoektocht naar controle ook naar buiten gelegd, in het lot of een hogere macht die de touwtjes in handen heeft. Offers brengen is daar een oude vorm van.
Wie is het meest bijgelovig?
Niet iedereen is even bijgelovig. Het patroon daarachter is wel voorspelbaar: hoe groter het belang van een onzekere uitkomst, hoe meer bijgeloof. Topsporters scoren daarom hoog. Onderzoek laat zien dat rond de 75 procent van hen wel een vorm van bijgeloof erop nahoudt, van vaste rituelen voor de wedstrijd tot geluksondergoed. Ook gokkers behoren tot de meest bijgelovige groepen. Logisch, gezien toeval er een groot onderdeel van is.
Politici zijn een minder voor de hand liggend voorbeeld. Tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2008, tussen Barack Obama en John McCain, speelde bijgeloof aan beide kanten van de campagne mee. Ook hier eigenlijk wel logisch: de inzet is enorm, de uitkomst onzeker. Dat is precies de combinatie waarbij bijgeloof een uitkomst kan bieden.
Die combinatie werkt ook op grotere schaal. Tijdens de Grote Depressie in de jaren dertig verkochten boeken over het bovennatuurlijke beduidend beter, en zochten meer mensen hun heil bij sektes. Zelfs de aandelenmarkt is er gevoelig voor: onderzoek naar tachtig jaar beursdata liet zien dat handelaren na een zonsverduistering voorzichtiger werden en vaker onder de prijs verkochten. Dat effect trok binnen een paar dagen weer bij, maar het laat zien hoe makkelijk zelfs professionals zich door een oud voorteken laten beïnvloeden.

Bijgeloof om je heen: opvallende voorbeelden
Sommige vormen van bijgeloof zijn zo wijdverspreid dat we nauwelijks meer beseffen dat het bijgeloof is. In Dat kan geen toeval zijn wordt een onderzoek van psycholoog Richard Wiseman aangehaald, waaruit blijkt dat 77 procent van de Britten zichzelf op zijn minst een beetje bijgelovig vindt. Afkloppen op hout scoorde daarbij het hoogst (74 procent), gevolgd door het kruisen van vingers (65 procent) en het vermijden van ladders (50 procent).
Bijgeloof dat geluk moet aantrekken
Ook het populairste bijgeloof uit het rijtje heeft een verklaring. Van Harreveld, Van der Pligt en Rutjens schrijven dat zowel het christendom als de oude Germanen hout goddelijke eigenschappen toekenden. Christenen raakten een houten kruis aan als ze overmoedig waren geweest, als herinnering aan de nederigheid van Jezus. De Germanen geloofden dat goede goden in bomen leefden, en dat je bij dreigend gevaar hout moest aanraken zodat een boze geest daarin werd opgenomen.
Voor het kruisen van vingers bestaan twee theorieën, schrijft Mental Floss. De eerste gaat terug op een voorchristelijk, heidens geloof in de kracht van het kruissymbool: het snijpunt zou een concentratie van goede geesten markeren, waaraan je een wens kon verankeren tot hij uitkwam. Aanvankelijk kruiste je daarvoor een vinger met iemand anders om diens wens kracht bij te zetten, later werd dat een gebaar dat je ook alleen kon maken. De tweede theorie komt uit de begintijd van het christendom, toen vervolgde gelovigen elkaar herkenden aan het ichthus-teken, het vissymbool dat ontstond door duimen tegen elkaar te houden en wijsvingers te kruisen. Die theorie verklaart niet helemaal hoe het gebaar aan geluk gekoppeld raakte, maar laat wel zien dat het al eeuwenlang een zegen of een wens uitdrukt.
Bijgeloof dat ongeluk moet afweren
Ook het vermijden van ladders heeft een concrete oorsprong. Historia dook erin: een tegen de muur geplaatste ladder vormt met de muur en de grond een driehoek, een verwijzing naar de heilige Drie-eenheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Hier plompverloren doorheen wandelen zou oneerbiedig zijn en tot ongeluk leiden.
Zwarte katten hebben het al langer zwaar te verduren. Historia schrijft dat ze al in het oude Egypte werden geassocieerd met de godin Bast, en later meende het christendom dat heksen en duivels graag de gedaante van een kat aannamen om zich ongezien te kunnen verplaatsen. En dat je geen paraplu binnenshuis mag openen? Volgens de Nederlandstalige Wikipedia-lijst van bijgeloven wordt dat in de volksmond vaak verklaard als bijgeloof rond het tarten van het noodlot.
Bijgeloof over de grens
Psyned wijst erop dat het ook cultuurgebonden is. Wij in het Westen zijn bang voor zwarte katten en zien dertien als het ongeluksgetal. Mensen in Marokko dragen de hand van Fatima als bescherming. Fransen trekken op nieuwjaarsdag graag kleding met stippen aan. Overal ter wereld zoeken mensen naar houvast, alleen de vorm verschilt per cultuur.
Nuttig of schadelijk?
Bijgeloof heeft een slechte naam. Toch is het beeld genuanceerder dan “onzin voor bange, onwetende mensen”.
Nuttig: het placebo-effect
Aan de nuttige kant werkt bijgeloof in de praktijk vaak als een placebo. Van Harreveld, Van der Pligt en Rutjens bespreken Duits onderzoek van psycholoog Lysann Damisch, dat dit in meerdere experimenten liet zien. Proefpersonen presteerden beter bij midgetgolf, memory en het oplossen van anagrammen zodra ze een “geluksbal” gebruikten, een geluksamulet bij zich droegen, of te horen kregen dat iemand voor hen duimde. Een bovennatuurlijke kracht speelde daarbij geen rol. Het zelfvertrouwen dat het gaf, verklaarde de betere prestatie.
Schadelijk: het nocebo-effect
Hetzelfde mechanisme werkt averechts bij het zogenoemde nocebo-effect: negatieve verwachtingen die zichzelf waarmaken. In België werden in 1999 tientallen kinderen daadwerkelijk ziek nadat er geruchten de ronde deden over een probleem met Coca-Cola-blikjes. Onderzoek bij de fabrieken leverde niets afwijkends op. Bij een experiment met astmapatiënten kregen twee groepen exact dezelfde neutrale spray toegediend. Alleen de ene groep kreeg te horen dat er een irriterende stof in zat. Vijf minuten later hadden zij een hevige astma-aanval, met meetbaar vernauwde bloedvaten.
Wanneer het omslaat in dwang
Aan de schadelijke kant kan bijgeloof ook omslaan in dwang. Van Harreveld, Van der Pligt en Rutjens beschrijven onderzoek onder patiënten van een angstkliniek waaruit bleek dat de mate van magisch denken de beste voorspeller was voor de ernst van dwangmatig gedrag, zoals eindeloos controleren of de deur echt op slot zit. Bijgeloof en dwangmatig gedrag ontstaan namelijk vaak onder dezelfde omstandigheden: grote onzekerheid en weinig grip op wat je overkomt. Wanneer wordt een onschuldig ritueel een probleem? Zodra het je leven in de weg gaat zitten, in plaats van je alleen wat houvast te geven.
Misschien is dát de kern: waarom geloven we in bijgeloof? Omdat het geen teken van domheid is, maar een heel menselijke poging om grip te krijgen op een wereld die zich lang niet altijd aan onze wensen houdt. En zolang het je niet in de weg zit, mag je het gewoon lekker blijven doen: baat het niet, dan schaadt het niet. Met een klavertjevier in je zak, een amulet om je nek, of gewoon door drie keer op hout te kloppen voor je iets hardop uitspreekt.
Gebruikte bronnen
- Het boek Dat kan geen toeval zijn: de psychologie van ons bijgeloof (2013) van Frenk van Harreveld, Joop van der Pligt & Bastiaan Rutjens
- Het essay ‘Hoofdlijnen en interpretaties van Nederlandse toverij en hekserij’ van Marijke Gijswijt-Hofstra, opgenomen in de bundel Nederland betoverd: toverij en hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw (1987)
- Historia – Waar komt ons bijgeloof vandaan? (2023)
- Mental Floss – Why Do We Cross Our Fingers For Good Luck? (2024)
- Psyned – Waar komt bijgeloof vandaan en waarom blijven we erin geloven? (2023)
- Quest – Is geloven in een paar gelukssokken anders dan geloven in een hogere macht? (2025)
- Wikipedia [NL] – Lijst van bijgeloven
No Comment! Be the first one.